ACHTMAAL GENIAAL

door Harry van Tweel

scan uit: KIJK april 1999

'Ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom?'

Zijn zoveelste aanvaring met de pers bracht Louis van Gaal tot deze nu al bijna legendarische woorden. De waarheid ligt ergens in het midden: Van Gaal kan een elftal tot grote prestaties brengen en sommige
journalisten kunnen heel bekwaam opschrijven dat hij verkeerd bezig is. Geen wonder, want er schijnen acht soorten intelligentie te bestaan.

December 1998, PSV voetbalt thuis tegen Roda JC. Ruud van Nistelrooy staat ter hoogte van de middenlijn. De bal dwarrelt door de lucht, zijn richting op.
De spits van PSV schat in een split second de situatie in. Zijn bewakers staan net te ver van
hem vandaan om het hem moeilijk te kunnen maken, de keeper van Roda ziet hij ver voor
zijn doe) staan. Van Nistelrooy neemt de bal beheerst aan, legt die in een vloeiende beweging voor zijn juiste voet, en plaatst hem vervolgens exact in de kruising van het vijandelijke doel. Goal. Totaal onverwacht. "Tuurlijk!" jubelt de commentator, "zelf schieten, ook al sta je vijftig meter van het doel af. Een lepe oplossing. Wat is die Van Nistelrooy toch verschrikkelijk slim."
Is dit inderdaad intelligent gedrag? Vraag tien psychologen wat slim en intelligent is en je krijgt evenveel verschillende antwoorden. Ruwweg kun je zeggen: je bent slim als je oplossingen kunt bedenken voor onbekende problemen en situaties. In die zin was Van Nistelrooys actie dus inderdaad slim.
Psycholoog Howard Gardner van de Harvard-universiteit gaat nog een stap verder. Hij zegt dat dit een speciaal soort intelligentie is: kinesthetische. Voetballers en balletdansers hebben dat, maar chirurgen en uurwerkmakers ook. Kinesthetische intelligentie is gebaseerd op een zeer hoog ontwikkelde lichaamsbeheersing en 'goed zijn met je handen'.

Howard Gardner is de geestelijk vader van de'meervoudige intelligentie-theorie'.
Op basis van cultuurhistorisch onderzoek naar de waardering van verschillende vormen van wijsheid en studies naar de ontwikkeling van het menselijk brein onderscheidt hij acht soorten intelligentie. Elk mens beschikt in principe over alle acht soorten, maar hoeveel je ervan hebt, verschilt; dat is een kwestie van aanleg en oefening. Je kunt intelligent zijn op alle acht manieren, maar dat hoeft niet. De soorten intelligentie staan los van elkaar. Je kunt slim zijn op de ene manier en dom zijn op een andere.
Als je maar liefst acht manieren van intelligentie hebt, wordt het moeilijk om iemand te vinden die echt dom is. Dat is, kort samengevat en vrij vertaald, ook precies de kritiek die op Gardners theorie wordt geleverd. En dat terwijl al sinds mensenheugenis wordt geprobeerd echte intelligentie een beetje exclusief te houden.
Wat critici niet kunnen ontkennen, is dat Gardners theorie een verklaring biedt voor het feit dat mensen met een hoog IQ het niet altijd ver schoppen. Volgens Gardner worden bij een IQ-test maar twee of drie soorten intelligentie getest. Blijven er nog vijf manieren over waarop je dom kunt zijn. Een IQ-test meet alleen de verbale en de logisch/mathematische vaardigheden, vaak aangevuld met ruimtelijk inzicht. Het kan best zijn dat je op deze drie zaken užtstekend scoort. Maar het is een misverstand om daar meteen een goede baan en een leuk salaris aan te koppelen. Om door een sollicitatieprocedure heen te komen moet er tenslotte ook nog sprake zijn van enige sociale intelligentie.

Gardner biedt iedereen hoop. Hoe goed je in een bepaalde vorm van intelligentie bent, hangt af van twee factoren: aanleg en oefening. Heb je bijvoorbeeld nauwelijks aan je muzikale intelligentie gewerkt, dan zul je er geen hoge ogen mee gooien. Wat dat betreft kun je dus nog een stuk slimmer worden.
Oefening baart kunst. Voorwaarde is wel dat je het echt moet willen. Zonder motivatie en doorzettingsvermogen is het niet mogelijk het maximale rendement uit jezelf te halen.
Neem nu Andrew Wiles. Onlangs leverde deze Engelse wiskundige het bewijs voor de laatste 'stelling van Fermat' (xn + yn = zn heeft geen oplossing; waarbij n een natuurlijk getal is, groter dan 2). Bijna vierhonderd jaar lang hadden wiskundigen hun tanden stukgebeten op de stelling van Fermat. Vakbroeders noemen Wiles' redeneer- en rekenkunst dan ook geniaal. Maar hij had wel zeven volle jaren, als een monnik, aan de bewijsvoering gewerkt. Niet voor niets luidt het opschrift van een bekend tegeltje voor op de schoorsteen dat genialiteit vooral een kwestie is van transpiratie. Wiles zal 't beamen. Ruud van Nistelrooy trouwens ook.

De acht vormen van intelligentie volgens psycholoog Howard Gardner:

  • Taalkundige intelligentie
    De mentale vaardigheden die om de hoek komen kijken bij schrijven, formuleren, lezen, spreken en luisteren.
  • Logischmathematische intelligentie
    Nodig om abstracte relaties te doorgronden, en om bijvoorbeeld met getallen om te gaan.
  • Muzikale intelligentie
    Vermogen om ritmen en patronen te ontdekken en toonhoogten te horen.
  • Ruimtelijke intelligentie
    Vermogen om op driedimensionaal niveau te denken. Onmisbaar voor architecten, technici en piloten. Ook een goed oriŽntatievermogen en richtingsgevoel duiden op ruimtelijke intelligentie.
  • Kinesthetische intelligentie
    Heeft alles te maken met beheersing van het lichaam. Tot grote ontwikkeling gekomen bij bijvoorbeeld atleten en dansers, maar ook bij mensen die met hun handen werken.
  • Intrapersoonlijke intelligentie
    Begrip van de eigen gevoelens, handelen en denken, besef van eigen beweegredenen. Heeft alles te maken met kritisch zelfbeeld. Lang niet bij iedereen goed ontwikkeld.
  • Interpersoonlijke intelligentie
    Vermogen om andermans gedrag en gevoelens te begrijpen. Vernuft dat nodig is om met andere mensen overweg te kunnen en ze te motiveren. Zeer wenselijk in leidinggevende beroepen.
  • Natuurlijke intelligentie
    Kennis en begrip van de natuur. Charles Darwin is volgens Gardner iemand die hierover beschikte.

Gardner overweegt nog een negende vorm van intelligentie. 'ExistentiŽle intelligentie', oftewel het vermogen om antwoorden te vinden op fundamentele vragen (waarom bestaan wij, wat is de zin van het leven, en meer van die dingen). Mensen als de Dalai Lama en de filosoof Kierkegaard zijn hier volgens Gardner goed in.

Drie geniale eigenschappen
Na langdurige studie is Gardner tot de conclusie gekomen dat genieŽn drie dingen gemeen hebben.

  1. De bereidheid en het vermogen om te ler en van fouten. Dat is minder makkelijk dan het lijkt. Het betekent dat je moet erkennen dat er iets fout is gegaan, ťn dat je wilt nagaan wat jouw aandeel daarin is. Om te voorkomen dat je nog een keer de fout in gaat.
  2. Het vermogen om te reflecteren, te beschouwen. Even afstand nemen, rust en tijd nemen om te overdenken wat je doet, waarom, en wat je sterke en zwakke punten zijn.
  3. Doorzettingsverrnogen, motivatie en de bereidheid er hard voor te werken. Een echt genie ziet er niet tegenop om er pakweg een jaartje of tien voor uit te trekken om een bepaalde kennis te verwerven of een bepaald probleem onder de knie te krijgen.

Steeds slimmer
De gemiddelde scores van intelligentietests gaan elke tien jaar met drie punten omhoog. Zijn wij slimmer dan oude mensen? Nee, helaas. Professor Flynn uit Nieuw-Zeeland heeft dit fenomeen zoveel ontdekt als verklaard. Hij is erachter gekomen dat de huidige generatie niet beter scoort op verbaal en rekenkundig gebied.
Ook de algemene kennis is niet gegroeid. We zijn alleen beter geworden in abstracte vaardigheden. Volgens Flynn is dit een teken van luxe. Vorige generaties hadden al hun intelligentie nodig voor praktische zaken. Noodgedwongen, om te overleven. Ze gingen niet ook nog eens voor de lol abstracte puzzeltjes oplossen. En dan word je er dus ook niet goed in. Tegenwoordig houden mensen zich hier al van jongsaf aan mee bezig, en dat verklaart het verschil in IQ-punten. Niet dat we er veel mee opschieten. Volgens Flynn leidt de recente aandacht voor abstracte problemen hooguit tot betere schakers en theoretische wiskundigen. Als aanwijzing hiervoor noemt hij dat de gemiddelde leeftijd waarop schakers zich grootmeester mogen noemen steeds verder omlaaggaat

Domme buitenlanders
Begin deze eeuw begon de Amerikaanse overheid groepen immigranten te testen op hun intelligentie. De uitslagen waren onrustbarend. De ene nationaliteit was beduidend slimmer dan de andere. Maar liefst 97 procent van de Russen die naar Amerika kwamen waren debiel. Net zoals 80 procent van de Hongaren en 79 procent van de Italianen. Dan kon je maar beter joden hebben, daarvan was 83 procent alleen maar labiel. Om te zorgen dat er niet al te veel debielen Amerika binnenkwamen, voerden de VS in 1924 de "national origin quota's" in. Voor immigranten met inferieure intelligentie-genen ging de deur op slot. Pas na de tweede wereldoorlog boette de eugenetica in de VS en elders in de wereld aan kracht in.

Geniale genen
Eugenetica is de leer die tot doel heeft het menselijk ras te verbeteren. De Britse wetenschapper Francis Galton ( 1822-1911 ) is een van de grondleggers ervan. Galton wilde slimme mensen van domme onderscheiden. De eerste groep moest worden aangemoedigd zich voort te planten, de tweede groep ontmoedigd. Galton ging ervan uit dat intelligentie voorbehouden is aan de `upper class', en dat het erfelijk is. Elke generatie elite bracht tenslotte weer een nieuwe generatie elite voort. Galton ging op zoek naar een wetenschappelijke methode om zijn stelling te bewijzen en dom van slim te scheiden. Een van zijn hypotheses luidde: des te intelligenter een mens, des te groter zijn hersenpan. Hij stichtte in 1884 het antropometrisch laboratorium, Waarin de schedelomvang van duizenden mensen gemeten werd. Tot zijn rote teleurstellin ontdekte Galton dat we gemiddeld allemaal dezelfde maat hoofd hebben. Toch bleef deze methode veelgebruikt totdat Binet in 1905 met zijn intelligentietest kwam. De eugenetica interpreteerde de score op zo'n test als een absolute maat van dom- en slimheid. De voor de hand liggende uitkomst - mensen die een opleiding hebben gevolgd (de elite dus) scoren daarop beter dan degenen die nooit naar school zijn geweest (het voetvolk)- beschouwde men als bewijs voor het idee dat intelligentie erfelijk is.
Er zijn inmiddels ontzettend veel studies gedaan naar de relatie tussen IQ en erfelijkheid. De uitkomsten hiervan zijn steeds zo verschillend dat we nog altijd niet weten in hoeverre IQ terug te voeren is op "nature" (aanleg) en "nurture" (de mate waarin iemand door zijn omgeving uitgedaagd en gestimu-
leerd wordt). Psychologen houden het er tegenwoordig op dat nurture minstens net zo belangrijk is als nature.

Smart drugs?
Ruim tien jaar geleden werd de leerpil aan de man gebracht, met claims die er niet om logen: 'Moeiteloos op weg naar betere prestaties' en 'IQ in korte tijd met tien procent omhoog'. Sindsdien is van de wondertablet weinig vernomen.
Werkte de slimpil niet? Hij deed waarschijnlijk niet veel meer dan de gevolgen compenseren van slechte eetgewoonten. De pil bevatte een forse stoot vitaminen en mineralen, en die spelen een rol bij de rikkeloverdracht. Tekorten hebben bijvoorbeeld een negatieve invloed op het concentratievermogen. Voedingssupplementen kunnen patatverslaafden dus in zekere zin slimmer maken. In Engeland kun je bij de drogist Neurogain kopen. Dit middel zou de concentratie bevorderen en de alertheid verhogen. Bij golfspelers zou het ook de coŲrdinatie tussen waarneming en handelen verbeteren. In Nederland is Neurogain niet verkrijgbaar, omdat bepaalde toevoegingen op de lijst van verboden middelen voorkomen.

De IQ-meter
Toen de Fransen in 1881 de leerplicht invoerden, waren leerlingen opeens uit alle lagen van de bevolking afkomstig. En niet iedereen kon even goed meekomen. Alfred Binet ( 1857-1911 ) kreeg de opdracht om een meetwijze te bedenken waaruit, je kon afleiden of er veel of weinig van een leerling
verwacht mocht worden. In 1905 slaagde Binet hierin, samen met zijn collega Simon. De Binet-Simonschaal meet op welk niveau de taalkundige en logischlmathematische vermogens ontwikkeld zijn. En dat doet de
IQ-test een kleine eeuw later nog steeds. De IQ-test meet dus hoe goed je bent in dingen die belangrijk zijn op school.