pubicatie op internet: 26-10-1998

Science and Liberation

Matthijs van der Meer

Gerben Stavenga, Science and Liberation; A blind Spot in Scientific Research - exploring a new Structure of Reality, Thesis Publishers, Amsterdam 1991.

1. Perspectief

Vrijwel elke filosofie, hoe prachtig ze ook in elkaar steekt, is gebaseerd op een of meerdere willekeurige uitgangspunten van degene die haar bedenkt. Om die reden is de keuze voor een bepaalde denkwijze veelal van persoonlijke voorkeur afhankelijk, terwijl over een fundamenteel, doch ethisch beladen begrip als vrijheid amper enige consensus mogelijk lijkt. Sterker nog, wanneer bestaande filosofieën worden aangewend ter interpretatie van een fysische werkelijkheid, zoals de afgelopen decennia veelvuldig is gebeurd met betrekking tot de quantumtheorie, resulteert dit veelal in slechts nóg meer verwarring.

Hoe anders is dit wanneer omgekeerd, een experimentele situatie ons noodzaakt tot een herziening van de eerste beginselen van onze wetenschap, en filosofische inzichten aan de fysische werkelijkheid zelf moeten worden ontleend. Dan blijkt dat sommige typisch subjectieve begrippen wel degelijk een concrete inhoud in zich kunnen bergen, op basis waarvan een wetenschap mogelijk wordt die wellicht aan juist datgene tegemoet komt waarin de huidige wetenschappen niet kunnen voorzien.

Mijn nu volgende samenvatting van Stavenga's Science and Liberation, concentreert zich op de kernpunten rond welk zijn theorie is opgebouwd. Het boek is van zichzelf al dermate beknopt en to the point, dat ten aanzien van de inhoud enige omissies onvermijdelijk zijn gebleken.

 

2. Samenvatting

a. Introductie

Moderne wetenschap is alomtegenwoordig in de vorm van technologie, en bepalend voor onze kijk op de realiteit. Het optimisme van de Verlichting heeft plaats gemaakt voor argwaan. Juist de wetenschap is verantwoordelijk voor de grootste gevaren die de mensheid bedreigen: nucleaire wapens, vernietiging van de ecologie en bevolkingsgroei. Tegelijk echter, is ze onmisbaar om deze bedreigingen het hoofd te kunnen bieden. De vraag dringt zich op, of de wetenschap niet inherent tekort schiet wat betreft haar grip op de werkelijkheid.

De ontwikkeling van relativiteitstheorie (RT) en quantumtheorie (QT), impliceerden een stapsgewijze breuk met het s(ubject)-o(bject)-dualisme van de klassieke fysica (CP). Opmerkelijk genoeg ging dit hand in hand met soortgelijke revoluties binnen andere wetenschappelijke en culturele domeinen. Experimenten met elementaire deeltjes doen nu vermoeden dat binnen de natuurkunde een nóg ingrijpender breuk met s-o-dualiteit noodzakelijk is. En gezien het algemene karakter van de omwentelingen die hebben plaats gehad, zou dit kunnen duiden op een 'dode hoek' binnen de wetenschap.

Om hier zicht op te kunnen krijgen, is een helder beeld nodig van de wetenschap als geheel, alsmede een manier om haar van buitenaf te kunnen beschouwen. Dit kan worden bereikt op basis van een contrastmiddel: een disparaat onderzoeksprogramma dat zowel inhoudelijk als methodisch, geheel buiten het bestek valt van de bestaande wetenschap. Vereist is dit contrastmiddel 1) ware kennis nastreeft, 2) rationeel in elkaar steekt, 3) zich daadwerkelijk van de bestaande wetenschappen onderscheidt, 4) alle gebieden van de werkelijkheid betreft, 5) betrekking heeft op een fundamentele werkelijkheidsstructuur, en 6) zich richt op een aspect dat binnen tenminste één wetenschappelijke discipline is terug te vinden.

Het theologisch onderzoeksprogramma van Karl Barth (1886-1968) lijkt in elk geval te voldoen aan de laatste eis: een vergelijking leert dat juist dat ene onopgemerkte aspect van de deeltjesfysica - de noodzaak van een nieuwe stap in de breuk met s-o-dualisme - er door aan het licht wordt gebracht.

b. Barth

Als uitzondering onder theologen, wilde Barth zich niet meten aan de toenmalige wetenschappelijke consensus. Hij stond er op dat er vóór alles recht diende te worden gedaan aan het object van onderzoek. Theologie kon zich wat hem betreft een wetenschap noemen omdat het 1) een menselijk streven naar een specifiek soort kennis vertegenwoordigt, 2) zich beweegt langs een consistente reeks stappen, en 3) deze stappen naar zichzelf en anderen kan verantwoorden.

Barth handhaafde traditionele theologische begrippen als openbaring, geloof en dogma, doch zonder er de bestaande irrationele connotaties aan te verbinden. Elk begrip dat hij gebruikte, werd gedefinieerd op basis van het object van onderzoek: de documenten van het Oude en Nieuwe Testament. In de 'Prolegomena' die aan zijn belangrijkste werk voorafgaat, stelt hij daarover het volgende vast:

  • Deze documenten zijn geen historische beschrijvingen, doch produkten van gebeurtenissen waarin hun auteurs volledig betrokken waren.
  • De realiteit die zich in deze gebeurtenissen/documenten manifesteert is niet objectiveerbaar: ze kan niet anders worden gekend dan op basis van deze gebeurtenissen/documenten zelf.
  • Elk document is uniek, omdat ze de weerslag vormt van een eenmalige gebeurtenis.
  • Soortgelijke documenten zijn niet opzettelijk te produceren; hun inhoud kan niet worden gecontroleerd of aangevuld.
  • Openbaring is het sleutelbegrip binnen Barths theologie; het wordt gedefinieerd als de 'drieëne werkelijkheid' van dat wat zich manifesteert, diens manifestatie en het achtergelaten effect. Werkelijkheid, kengebeurtenis en document, ofschoon conceptueel van elkaar te onderscheiden, zijn equivalent wat betreft hun informatieïnhoud: subject en object participeren volledig.

    Barth beschouwde de natuurlijke theologie als een noodoplossing. Deze zou overbodig worden zodra de reguliere wetenschappen zich zouden afstemmen op gebeurtenissen met een drieëne structuur: "All sciences at their acme could be theology."

    c. De natuurkunde

    De geschiedenis van de natuurkunde laat drie grote doorbraken zien, elk gemarkeerd door een specifieke i(nstrument)-o(bject)-relatie. Zo kan de werkelijkheid binnen het kader van de klassieke fysica (CP) daadwerkelijk 'los' van het meetinstrument worden beschouwd: i en o zijn gescheiden en onafhankelijk (R0). Binnen het kader van de relativiteitstheorie (RT) raakt deze situatie doorbroken: metingen over kosmische afstanden zijn afhankelijk van een lichtsignaal dat de enige mogelijke verbintenis vormt tussen i en o. Op basis de onveranderlijke waarde van de snelheid van dit signaal, verliezen begrippen als 'absolute tijd' en 'absolute ruimte' hun betekenis. Hier geldt: i en o, ofschoon gescheiden systemen, zijn intrinsiek met elkaar verbonden (R1). Binnen het kader van de quantumtheorie (QT) gaat vervolgens ook de gescheidenheid van de beide systemen verloren: kennis over de subatomaire werkelijkheid is afhankelijk van de gekozen meetsituatie. Zo kan aan een subatomair deeltje niet tegelijkertijd zowel een precieze 'plaats' als een precieze 'positie' worden toegekend. Met de meting wordt gekozen ten gunste van één van beide mogelijkheden. Daarom geldt hier: i en o zijn niet meer geheel onafhankelijk, doch overlappen elkaar gedeeltelijk (R2).

    In het zuiver quantumfysische experiment wordt gekeken naar toestanden/aspecten van subatomaire systemen, hetgeen steeds meerdere indirecte metingen inhoudt. In de moderne deeltjesfysica doet zich nu een vierde meetsituatie voor, waarbij van een dergelijke mogelijkheid geen sprake meer is. Om de subatomaire deeltjes zelf te kunnen te kunnen waarnemen, zijn speciale instrumenten nodig als bellen- en vonkenkamers. In deze instrumenten laten deeltjes een (veelal kortstondig) effect achter, als consequentie van de volledige dissipatie van hun energie. Slechts op basis van dit effect - een spoortje bellen, stroompjes of nevel - is het deeltje empirisch gedefinieerd. Anders dan zo is het niet voorstelbaar, terwijl afzonderlijke metingen nooit kunnen worden gecontroleerd: een andere meting betreft een ander deeltje. De brengt bovendien met zich mee dat de aanwezigheid van een zeker deeltje niet op voorhand kan worden opgemerkt.

    Om bestudeerd te kunnen worden wordt het meeteffect op een of andere wijze vereeuwigd tot een 'inscriptie' - bijvoorbeeld door het te fotograferen. Uiteindelijk worden alle meetgegevens aan deze inscriptie ontleend. Analoog Barths indicaties ten aanzien van de bijbeldocumenten, kan nu het volgende worden vastgesteld:

  • De kengebeurtenis is 'drieëen', hetgeen betekent dat de het deeltje, de meting en de inscriptie inhoudelijk equivalent zijn.
  • Kennis van het deeltje heeft slechts betrekking het deeltje als geheel, op het feit dat het er is, en op dat wat het is. Als op zichzelf staande realiteit, los van het meetinstrument, kan er echter geen voorstelling van worden gemaakt.
  • In specifieke zin is de kengebeurtenis onherhaalbaar: elk afzonderlijk deeltje kan maar één keer worden gemeten.
  • De kengebeurtenis kan niet opzettelijk worden veroorzaakt. Het meetinstrument moet worden opgesteld, voorbereid op de meting, en vanaf dat moment kan de manifestatie slechts worden afgewacht.

    Zoals reeds aangegeven kan het bestaan van een zeker deeltje slechts worden vastgesteld nadat de meting reeds heeft plaatsgevonden. Dit impliceert een scherpe tegenstelling (demarcatie) met alle meetsituaties binnen de kaders van CP, RT en QT. Hier geldt dan ook: i en o zijn geheel en onverbrekelijk betrokken in de meetgebeurtenis. (R3).

  • d. De vier structuren

    Door de s- en o-systemen als circels voor te stellen en daarmee Venn-diagrammen te vormen, kunnen de vier i-o-relaties uit de fysica inzichtelijk worden weergegeven. Aan de hand hiervan blijkt dat de aan het licht gekomen relaties met elkaar een gesloten set vormen:

           
    R0 R1 R2 R3

    We zien dat deze relaties de enige vier logisch mogelijke zijn; R3 vertegenwoordigt de meest fundamentele van de vier.

    Nu vormt elke 'fysische meting' in feite een speciaal geval van een algemeen optredende wisselwerking op een specifiek domein van de werkelijkheid. Een meting kan niet anders worden begrepen dan in termen van de corresponderende i-o-relatie. Deze relatie is dus niet alleen kenmerkend voor de meting zelf, doch ook voor het domein van de werkelijkheid waarop ze betrekking heeft. De vier relaties kunnen daarom worden gegeneraliseerd tot vier overeenkomstige werkelijkheidsstructuren, S0, S1, S2 en S3, die we niet alleen binnen de fysica, doch daarbuiten terugvinden.

    Zo doet elk van de vier structuren zich voor tussen een boom en de grond waaruit hij groeit. Als ontkiemend zaadje wordt de boom geheel door de bodem omvat (S3). Als wortelstelsel onderhoudt het een gedeeltelijk contact met de bodem (S2). Als stronk raakt het nog de bodem (S1). Terwijl het als takken tenslotte geen direct contact meer met het moedersysteem onderhoudt (S0). Via de vrucht die het nieuwe zaadje herbergt, herhaalt zich de cyclus. Sprekend is ook het voorbeeld van de sexualiteit. Twee individuen ondervinden toenadering vanuit een geheel gescheiden situatie (S0). Deze mondt uit in een erotische aanraking van de beide systemen (S1). Ze kan zelfs culmineren in een gedeeltelijke lichamelijke overlapping, de coïtus (S2). En de vrouwelijke eicel tenslotte, loopt kans vergast te worden op een mannelijke zaadcel, waarbij de laatste onder overdracht van alle genetische informatie, geheel in de eerste wordt opgenomen (S3).

    We vinden de vier structuren eveneens in het werk van achtereenvolgens de Deense dialecticus Søren Kierkegaard (1813-1855), en de cultuurfilosoof Jean Gebser (1905-1973). De ontwikkelingsstadia in het menselijk bewustzijn vormen een centraal thema in het werk van beiden. Gebser baseert zich daarbij op de opeenvolging van relaties tussen mens en natuur. Als eerste fase daarin, karakteriseert hij het archaïsche stadium, waarin het menselijk bestaan nog volledig in het natuurgebeuren besloten ligt (S3). Vervolgens komt het mensdom in het magische stadium tot een eerste zelfbewustzijn (S2). In het mythologische stadium ontwikkelt zich hieruit een collectieve groepsidentificatie, hetgeen ten aanzien van de natuur een tegenstelling inhoudt (S1). In het mentale stadium tenslotte, culmineert deze ontwikkeling in een volledige onafhankelijkheid, gegrondvest in rationaliteit en gekenmerkt door een dualistische houding (S0). En zoals binnen de fysica CP het kader vormt waarbinnen RT en QT worden ontwikkeld en toegepast, zo vormt op maatschappelijk niveau de mentale structuur het kader waarbinnen de realiteit van de overige drie bewustzijnsstructuren aan het licht komt.

    Kierkegaard heeft accent gelegd op de relatie van het individu en diens omgeving. Zuivere individualiteit is bij hem kenmerkend voor de zgn. esthetische fase, waarin van een essentiële relatie met de omgeving nog geen sprake is (S0). Het is de ethische fase waarin de mens verantwoordelijkheid neemt, zich inzicht verschaft in de geschiedenis en bewust vorm begint te geven aan de wereld (S1). In de algemeen religieuze fase wordt hij zich bewust van zijn tekortkomingen. Hij blijft echter geloven bij machte te zijn uit eigen beweging de kennis te verwerven waarmee deze tekortkomingen het hoofd kan worden geboden (S2). Pas paradoxaal religieuze fase gaat hij de futiliteit van dit idee beseffen: de mens blijkt afhankelijk van een vorm van kennis waar hij uit eigen beweging niet bij kan (S3).

    e. Vrijheid

    Ook al doet zich in de experimentele natuurkunde een typische R3-situatie voor, toch bestaat er binnen geen enkele wetenschap enig theoretisch kader voor de S3-structuur. We mogen daarom zowel op het domein van de fysica als dat van andere disciplines, nieuwe theoretische doorbraken verwachten, gecentreerd rond R3. Het zal hierbij gaan om meetsituaties waarin s en o samenvallen, waarin van o geen voorstelling kan worden gemaakt, waarin elke waarneming intrinsiek uniek en onherhaalbaar is, en waarover we niet naar willekeur kunnen beschikken.

    Tegelijk verwachten we diepgaande culturele implicaties van een wetenschap die zich richt op de S3-structuur. Een typische serie documenten waarin deze structuur tot uitdrukking komt, is van cruciale betekenis voor de christelijke traditie. Binnen deze traditie worden de gebeurtenissen die aan genoemde documenten ten grondslag liggen, niet alleen als kengebeurtenissen beschouwd, doch ook als bevrijdende gebeurtenissen. Bij Barth vinden we van dit thema de rationele uitwerking. 'Openbaringswerkelijkheid' wordt door hem in de eerste plaats gekenmerkt als 'zijn in het gebeuren'. In dit gebeuren zoekt 'het openbarende' toenadering tot het subject, hetgeen kan worden aangeduid als 'liefde'. Ten derde staat deze werkelijkheid op geen enkele wijze onder onze macht; het is 'in vrijheid'. Subject, object en kengebeurtenis zijn hier inhoudelijk equivalent. Dus met de kengebeurtenis wordt het subject deelgenoot van de vrijheid die eigen is aan het object, waardoor deze kengebeurtenis per definitie een 'bevrijdend' karakter krijgt.

    Vanaf het begin van deze eeuw kwam het Europese denken sterk onder invloed te staan van een groep Joods-Duitse filosofen, van wie er zich een aantal verenigde in de zgn. Frankfurter Schule. Het was in belangrijke mate hun maatschappelijke positie, die hen wel universitair onderwijs, maar geen invloedrijke functies toestond, wat resulteerde in hun gezamenlijke preoccupatie met het verlangen naar verlossing. Deze denkers beseften al in een vroeg stadium dat de wetenschap die eens bevrijding bracht, in een apparaat van onderdrukking zou kunnen uitmonden. Daarom stonden zij een wetenschap voor die in de eerste plaats op bevrijding was gericht, en op een toekomstige samenleving van vrije individuen.

    Doch ondanks hun scherpe maatschappijkritiek, voorzagen de leden van de Frankfurter Schule niet in manieren om aan het gewenste vrijheidsdenken ook concrete uitdrukking te geven. Hun ideeën spitsten zich toe op reeds gangbare noties van vrijheid, zoals ze bijvoorbeeld werden ontleend aan de Verlichting of de psychoanalyse. Zij zagen niet dat de noties 'vrijheid' en 'bevrijding' verbonden zijn aan fundamentele werkelijkheidsstructuur, die intrinsiek bepalend is voor de cognitieve inhoud van deze begrippen.

    f. Bevrijdingswetenschap

    In het licht van de vier structuren wordt duidelijk waarom het idee van eenheid, het idee dat de wetenschap zou toewerken naar één fundamenteel werkelijkheidsconcept, met name binnen de fysica veel onnodige problemen heeft opgeleverd. Tegelijk zien we dat de wetenschap in principe géén oneindig voortdurende onderneming inhoudt: als zij zich eenmaal afstemt op de meest fundamentele van de vier werkelijkheidsstructuren, gaat zij tenslotte haar laatste stadium binnen. Eindigheid blijkt ook uit de stapsgewijs toenemende restrictie aan de kenbaarheid van de fysische werkelijkheid. En het is juist deze cognitieve beperking waardoor 'uniekheid' en 'vrijheid' binnen het bereik van de wetenschap blijken te vallen.

    Wat dat betreft zit er een ethische dimensie aan de kennis van de S3-realiteit: vrijheid wordt gerealiseerd op basis van een gebeurtenis waarmee een specifieke s-o-relatie tot stand wordt gebracht. Zodra we te maken hebben met deze relatie, hebben we óók te maken met 'vrijheid' of een specifiek analogon van dit begrip. De wetenschap die zich afstemt op de S3-structuur zou daarom met recht 'bevrijdingswetenschap' genoemd kunnen worden. Dit wil echter niet meer zeggen dan dat ze zich richt op intrinsiek bevrijdende gebeurtenissen. Het is niet de bevrijdingswetenschap op zichzelf die bevrijding tot stand brengt; werkelijke bevrijding vindt plaats in een gebeurtenis waarin, in overeenstemming met R3, twee systemen volledig betrokken zijn.

     

    3. Persoonlijke evaluatie

    Voor mij persoonlijk is Science and Liberation een openbaring op zichzelf geweest. Indrukwekkend is de heldere logica waarmee Stavenga verstrekkende implicaties afleidt uit eenvoudige beginselen. Deze beginselen zijn niet willekeurig bepaald: de 'documenten van Barth', de deeltjesfysica en het gegeven dat kennis steeds het resultaat is van een s-o-relatie, vormen allemaal gegevens waarom we niet heen kunnen. Stavenga laat zien dat we nu evenmin blijken heen kunnen om de kennistheoretische consequenties van deze gegevens.

    Niettemin is over Stavenga's werk op verschillende punten veel verschil van mening mogelijk. Met hetzelfde argument als waarmee het geloof in de eenheid binnen de fysica wordt aangevallen - het bestaan vier structuren van fysische werkelijkheid in plaats van één - tracht hij ook het 'holisme' van de New Age te ondergraven. Stavenga sluit zich dan ook aan bij degenen die Fritjof Capra hebben bekritiseerd om zijn stelling dat de moderne fysica parallellen vertoont met het de Oosterse mystiek. Echter, voor hetzelfde geld zou Stavenga's theorie kunnen worden aangewend om het bestaan van die parallellen inzichtelijk te maken. Wat dat betreft worden er ook door Stavenga wel degelijk aanvechtbare keuzes gemaakt.